Je ziet het nu haast nergens meer op de akkers staan, maar ooit was meekrap een van de belangrijkste (en winstgevendste) gewassen van Zeeland. Veel dorpen hadden hun eigen meestoof voor de verwerking van het product. Meekrap werd verwerkt tot rode kleurstof en de beste meekrap… die kwam uit Zeeland! Met Zeeuwse meekrap werd textiel (en dus kleding) in heel Noordwest-Europa van een mooie rode kleur voorzien.
Meekrap bracht veel op, maar daar stond tegenover dat de teelt en verwerking ervan geen eenvoudig proces was. In de middeleeuwen werd het al verbouwd, maar pas in de zeventiende eeuw, toen de graanprijzen kelderden, werd er massaal overgeschakeld op de meekrapteelt. Vooral boeren op Schouwen-Duiveland en Tholen legden zich op de meekrapteelt toe, maar ook op de Bevelanden en in het Land van Hulst werd het gewas geteeld.

Wat de meekrapteelt zo uitdagend maakte, was dat het veel arbeid, kapitaal en tijd kostte. De planten moesten handmatig, stuk voor stuk geplant worden – daar kwam veel mankracht aan te pas. Ze moesten bovendien twee tot drie jaar groeien voor ze geoogst konden worden en gedurende die tijd moesten ze goed en intensief verzorgd worden. Het oogsten was zwaar werk en ook daar waren veel mensen voor nodig. De wortels bevatten de basis voor de rode kleurstof en die zitten soms wel 70 centimeter diep. Dat maakte het delven (oogsten) er niet makkelijker op. Boeren die zich op de meekrapteelt wilden storten, moesten een flinke kapitaalinvestering doen en lang wachten tot het gewas geld opleverde. En hoeveel geld dat ging zijn, wisten ze tijdens het planten nog lang niet. Het prijspeil kon in een paar jaar tijd tenslotte behoorlijk veranderen.

De teelt van meekrap was al een intensief proces, maar hetzelfde gold voor de verwerking van de meekrapwortels. Er kwamen ook gespecialiseerde arbeiders voor langs. Tholenaars, en dan vooral uit Sint-Annaland, stonden bekend om hun deskundigheid.
De wortels moesten eerst even drogen in de zon en de wind. Daarna gingen ze naar de meestoof. Op Tholen had elk dorp een eigen meestoof. Op Schouwen-Duiveland stonden er in 1870 meer dan dertig. In de meestoof werden ze als eerste opgeslagen in de ‘koude stoof’. Hier lag de meekrap tot deze verwerkt kon worden. Het verwerkingsproces begon echt wanneer de meekrap naar de ‘warme stoof’ ging, een soort droogtoren met vier zolders. Onderin werd vuur gestookt. Nieuwe meekrap werd in manden naar de bovenste zolder gebracht. Een dag later verhuisde de meekrap weer in een mand naar een lagere verdieping, net zo lang tot het beneden op de dorsvloer kwam. Daar werd de meekrap gedorst door arbeiders met dorsvlegels. De wortels werden vervolgens gezeefd. De korte stukjes werden in vaten gedaan. De rest werd op een kleed bovenop de eest of ast (een smalle, meterslange horizontale oven) gespreid en verder gedroogd. Daarna werd de meekrap in het stamphuis tot poeder gestampt of gemalen en nog een keer gezeefd. Die poeder werd in grote vaten opgeslagen en dan was de grondstof klaar voor vervoer.
Een meekrapstoof of meestoof was een installatie op een landbouwbedrijf voor het drogen en verwerken van de geteelde bijwortels.

Meer informatie over de meekrapteelt en – verwerking vind je in dit filmpje van de Canon van Zeeland
Niet alle verwerkte meekrap was van dezelfde kwaliteit. Het fijnste, lichtgele poeder was het best en het duurst. Het donkerrode poeder was van mindere kwaliteit. Er was een uitgebreid taxatieproces. In Zierikzee werd de meekrap bijvoorbeeld in de waag van het stadhuis gekeurd. In Stadhuismuseum Zierikzee kun je nog exact zien hoe dat in zijn werk ging.
Vroeg in de negentiende eeuw kwam de meekrapteelt onder druk te staan toen garancine werd uitgevonden, een verbeterd meekrappreparaat. Er verschenen toen ook meekrap- en garancinefabrieken in Zeeland. Die zorgden voor veel overlast door de geur van rotte eieren die ze verspreidden en al het afval dat ze loosden. Lang heeft die overlast niet geduurd, want nog in dezelfde eeuw werd een goedkope synthetische kleurstof uitgevonden die meekrap verving. Meekrap wint tegenwoordig overigens weer aan populariteit. Kledingontwerpers die graag met natuurlijke verfstoffen werken, geven de teelt een nieuwe impuls en er worden weer pogingen ondernomen om de plant te kweken.

“MEEKRAP VROEGER EN NU”
De meekrapteelt was vele eeuwen een specifiek Zeeuwse teelt. Bijna ieder dorp had in de achtiende en negentiende eeuw wel een meestoof. Ook Sirjansland was in het bezit van een meestoof “DE EENDRACHT” gesticht in 1857 gelegen aan de Molenweg. De meekrap gaf aan tallozen werk en
leverde doorgaans een goed bestaan op. Het was wel een zwaar werk. “ETEN ALS EEN DELVER”, is een bekend zeeuws gezegde. Het is aan de meekrap ontleend. Het delven van de meekrapwortel was zwaar. Men kreeg er honger van. Er moest dus flink gegeten worden om zijn lichaam in goede
conditie te houden. Uit de meekrapwortel werd een rode verfstof bereid. Hiermee werden wollen stoffen en vooral laken geverfd. Wie oude schilderijen bekijkt, zal zien, dat vele kledingstukken die men in vorige eeuwen droeg, een diep donkerrode kleur hebben. De meekrapteelt was een driejarige
teelt. Het duurde drie jaar eer men de planten kon oogsten. Oogstte men voortijdig, zoals sommige niet kapitaal krachtige telers dikwijls moesten, dan kon uit de wortels alleen garancine oftewel racine bereid worden. Vrouwen en kinderen haalden van de tweejarige planten de “kiemen” af om deze opnieuw te planten. In het najaar werd het land diep omgeploegd. In het voorjaar werden de bedden gemaakt en werd de grond uitstekend bemest. De bedden waren ongeveer veertig centimeter breed. Het zetten van de meekiemen, vier kiemen op een rij, gebeurde in de tijd dat de seringen bloeiden en de appelrassen in bloei stonden. In het najaar van het tweede en derde jaar werden de meekrapbedden goed aangeaard en afgedekt om ze tegen de vorst te beschermen. In het derde
jaar verdubbelde als alles goed was het wortelgewicht. Het ging namelijk om de wortelen van de planten. In september van het derde jaar waren de wortels rijp om gedolven te worden. Dit karwei mocht alleen door vakkundige personen gebeuren. Nadat de wortels enige dagen op het land hadden gelegen, werden ze naar de meestoof vervoerd.
De meestoof leek op een grote schuur met een verhoogd voorgedeelte, de toren. Een meestoof bestond uit vier gedeelten. Er was de koude stoof voor de opslag van de gedolven wortels, de toren, het stamphuis en de ast of eest. Het bereidingsproces viel in twee hoofdbewerkingen uiteen. Er
was de kunstmatige bewerking voor en na de droging en er was de verpulvering. Het drogen vond eerst plaats in de toren.
De wortels werden op lattenzolders uitgespreid. Ze werden daar gedroogd door het stoken van een gemetselde oven, de “oude man” genaamd. De droger zwaaide hier de scepter. Hij bepaalde op grond van ervaring hoe lang en op welke temperatuur er gedroogd moest worden. De wortels werden door middel van een windas naar de verschillende zolders gehesen en daar uitgespreid door helpers van de droger, de op-en afdoeners. Dat karwei ging dag en nacht door. Daarna werden de voorgedroogde wortels naar de dorsvloer gebracht. Daar werden ze met vlegels in kleine stukjes geslagen, gezeefd en van stof gezuiverd. De bewerking hield hier op indien de in kleine stukjes gebroken wortel als racine verhandeld werd. Racine was dus een halffabrikaat. Een dergelijk product kwam ook uit de Levant. In het nabije oosten werden de wortels door de zon gedroogd. Zij leverden het lizari op. De verfstof uit de meekrap noemde men ook wel de alizarine. De racine kon nog verder verwerkt worden tot “hard goed”. Dat werd gedroogd in de eest of ast. Dit was een twintig meter lang gebouw, waarin een stookplaats was aangebracht. Die stookplaats werd “het varken”genoemd.
Aan het varken was een warmtekanaal gemaakt, dat met een paardeharen deken was afgedekt. Hierop werden de wortels nog eens vierentwintg uur lang nagedroogd. De meekrap was dan klaar om gestampt en gezeefd te worden.
In het stamphuis stond een rosmolen die door drie paarden werd getrokken, aangevuurd door de drijver. De rosmolen zette grote stampers in beweging, die in grote uitgeholde blokken vielen en waar de meekrap ingestort werd. Dit stampen gebeurde alleen ’s nachts onder toeziend oog van “de stamper”. Men meende dat het daglicht de kleur zou beïnvloeden en dat men ’s nachts minder last had van het vastkleven van het poeder aan de stampers. Het stampen gaf wel geluidsoverlast. Daar tilde men in die dagen niet zo zwaar aan. Het stampen werd onderbroken door het zeven. Men
kende vier verschillende kwaliteiten. De onberoofde, meekrap met schil en al gemalen, de gemene, die de minste kleurstof bevatte en al vroeg door de zeef was gevallen. Op de zeef bleef de krap liggen, het poeder uit het betere binnenste deel. Gemene bestond uit een deel gemene en twee delen krap. Het betere product, een-een, bestond uit de helft gemene en de helft krap. Het afval van de genoemde kwaliteiten heette “mullen”. De meekrap werd verpakt in vaten van vierhonderd tot zeshonderd kilogram. Het opveegsel werd zelfs verzameld en in een apart vat gedaan, dat “de beer” werd genoemd. Zestien verschillende personen vormden samen een besloten vennootschap om de meekrapzaak te exploiteren, “de partenrederij”. Iedere aandeelhouder was hoofdelijk aansprakelijk met zijn gehele vermogen. Men moest dus vermogend zijn om deel te nemen in de meekrapteelt. De
meekrapvaten werden gekeurd en van een keurmerk voorzien. Dit merk vertelde voor de insiders iets over de kwaliteit en de plaats van herkomst van de meekrap. In 1868 bedroeg de totale productie nog 70.000 ton ter waarde van 60-70 mill. gulden. De meekrapteelt hield stand tot ongeveer de vorige eeuwwisseling. Men voerde ongeveer dertig jaar een vergeefse strijd, nadat in 1868 Duitse chemici erin waren geslaagd alizarine uit anthraceen, een bestanddeel van de steenkoolteer, af te scheiden. Een enorme catastrofe was het gevolg. De koopmansstand ging achteruit, de pakhuizen bleven leeg, de boerenaandeelhouders leden grote verliezen, de meestoven werden afgebroken en de arbeiders in de meekrapcultuur moesten ander werk zoeken op een toch al verzadigde arbeidsmarkt.
Op de fundamenten van de meestoof uit Sirjansland werd in 1913 de hoeve van de familie Heyboer gebouwd. Na de ramp kwam de gedenksteen van de meestoof “DE EENDRACHT” onbeschadigd tevoorschijn, en is elders opgeslagen.
tekst: “MEEKRAP VROEGER EN NU” van mevr. A.van Dijk-v.d. Peyl.
“Bruinisse in de loop der eeuwen” door S.A. Jumelet.
Elseviers W.P. encyclopedie.

